Home arrow Wet en regelgeving arrow Jurisprudentie arrow Sociale zekerheid arrow Incomplete aanvraag verkorte wachttijd
Incomplete aanvraag verkorte wachttijd

Werknemer werkte als internationaal chauffeur. Op 4 juli 2005 viel hij uit. Vervolgens heeft hij op 20 oktober 2006 een aanvraag om een WIA-uitkering op basis van een verkorte wachttijd bij het UWV ingediend.

Vervolgens heeft het UWV aan de werknemer schriftelijk gevraagd medische informatie op te sturen, die nodig is bij een aanvraag van een WIA-uitkering op basis van een verkorte wachttijd. Hierop heeft werkgever telefonisch aan het UWV laten weten dat de bedrijfsarts medische informatie bij de behandelende specialist heeft opgevraagd, maar dat deze nog niet is ontvangen. Er werd met het UWV afgesproken dat de bedrijfsarts alvast een brief zou sturen en dat de behandelende specialist binnen twee weken telefonisch contact met de verzekeringsarts zou opnemen. Dat is niet gebeurd. Het UWV heeft de aanvraag niet in behandeling genomen waartegen werkgever in beroep is gegaan..

Het UWV stelt zich op het standpunt dat de WIA-aanvraag op basis van een verkorte wachttijd niet is vergezeld van een verklaring van de bedrijfsarts waaruit de medische situatie evenals de vooruitzichten van de werknemer blijken. Volgens het UWV is de door de bedrijfsarts opgestel de brief niet gebaseerd op gegevens inzake de medische specialistische onderzoeken of behandelingen die de werknemer heeft ondergaan.

Werkgever meent dat de WIA-aanvraag wel was vergezeld van een medische verklaring van de bedrijfsarts, zodat de aanvraag voldeed aan de voorwaarden van de Wet WIA. De aanvraag had daarom in behandeling moeten worden genomen.

De rechtbank overweegt als volgt:

Een aanvraag voor de verkorte wachttijd dient vergezeld te gaan gaat van een verklaring waaruit de medische situatie alsmede de vooruitzichten van de werknemer blijken op basis van de medische specialistische onderzoeken of ondergane behandelingen. Indien zo’n verklaring ontbreekt wordt de aanvraag niet in behandeling genomen. 

De brief van de bedrijfsarts voldoet naar het oordeel van de rechtbank niet aan de vereisten. In de brief staat “werknemer is in de ziektewet sinds 04-07-2005. In het kader van een carcinogene aandoening onderging betrokkene na het stellen van de diagnose verschillende intensieve en ingrijpende behandelingen. Recent heeft de specialist helaas moeten bevestigen dat behandeling niet heeft aangeslagen en de prognose aldus ongunstig is. Werknemer heeft ten gevolge van zijn aandoening en behandeling ernstige en blijvende beperkingen in fysieke en emotionele belastbaarheid. Reëel dat betrokkene niet in het arbeidsproces kan terugkeren.Er zijn geen duurzaam benutbare mogelijkheden wat dat betreft”.

 

Uit deze verklaring van de bedrijfsarts blijkt niet welke medische specialistische onderzoeken of behandelingen de werknemer heeft ondergaan en wat zijn vooruitzicht is. Evenmin wordt onderbouwd dat sprake is van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid, waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat. Zo is de rechtbank bijvoorbeeld niet duidelijk welke diagnose de behandelende specialist heeft gesteld en welke levensverwachting de werknemer heeft.

Dat werkgever op de zitting alsnog medische informatie van de behandelende specialist heeft overgelegd, maakt de beoordeling niet anders, aangezien dat deze informatie bij de aanvraag voor de verkorte wachttijd moet worden verstrekt. Het UWV heeft de aanvraag om een verkorte wachttijd daarom terecht buiten behandeling gesteld. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard.  

Uitspraak 5 november 2007 LJN: BB7948, Rechtbank 's-Hertogenbosch, AWB 07/886  

 
HomeVoorwaardenDisclaimerPrivacySitemap