Home arrow Wet en regelgeving arrow Jurisprudentie arrow Sociale zekerheid arrow In beroep tegen loonsanctie UWV
In beroep tegen loonsanctie UWV
LJN: BC9301, Rechtbank Zutphen , 07/619 WIA 

 

Op 9 december 2004 is werknemer uitgevallen met rechterpolsklachten tijdens zijn werk als productiemedewerker. Hij is belast met het afstellen van machines. Op 14 september 2006 heeft de werknemer een uitkering WIA aangevraagd. 

Op 26 oktober 2006 meldt UWV werkgever dat de loondoorbetaling wordt verlengd omdat de re-integratie-inspanningen zonder deugdelijke grond onvoldoende zijn geweest en dat de behandeling van de WIA-aanvraag wordt opgeschort. Werkgever heeft tijdig bezwaar gemaakt.

Motivering van de rechtbank

De uitgangspunten voor de beoordeling door het UWV van de re-integratie-inspanningen die van werkgever en werknemer worden verwacht zijn neergelegd in het “Kader voor inzet en beoordeling van re-integratie-inspanningen

 

Van werkgever en werknemer wordt verwacht dat zij al het mogelijke doen met het oog op de re-integratie. Dit uiteraard binnen de grenzen van de redelijkheid. Het re-integratieresultaat hoeft niet optimaal te zijn. Een bevredigend resultaat is voldoende.

Van een bevredigend resultaat is sprake wanneer is gekomen tot een (gedeeltelijke) werkhervatting, die aansluit bij de resterende functionele mogelijkheden van de werknemer.

Dan wel wanneer betrokkene tegen het einde van de verplichte loondoorbetalingperiode is ingeschakeld in arbeid met een loonwaarde van tenminste 65% van het loon vòòr de ziekte.

 

Indien het UWV het resultaat niet bevredigend acht, wordt bij de beoordeling ingezoomd op datgene wat door de werkgever en werknemer daadwerkelijk ondernomen is gedurende de eerste twee jaar van ziekte. Het UWV beoordeelt dan het re-integratieresultaat in relatie tot de oorzaak van het verzuim en de ondernomen stappen.

 

De medische beoordeling van de werknemer door de bedrijfsarts dient als uitgangspunt voor de vaststelling van mogelijkheden om de belastbaarheid van de werknemer te vergroten (herstel) en van de re-integratie-inspanningen. De bedrijfsarts beoordeelt welke mogelijkheden de werknemer nog heeft tot het verrichten van betaalde arbeid en hoe die mogelijkheden in, of zo nodig buiten, het bedrijf kunnen worden benut. Wanneer de werknemer nog arbeidsmogelijk-heden heeft, ook al is de omvang beperkt, dan gelden de in wet- en regelgeving neergelegde re-integratieverplichtingen.

 

Bij de arbeidskundige aspecten van re-integratie gaat het om het bezien van de mogelijkheden om weer aan het werk te gaan. Werkgever en werknemer moeten nagaan welke mogelijkheden er zijn of gecreëerd kunnen worden door aanpassing van de eigen functie of de eigen werkplek, de werkorganisatie en dergelijke dan wel of hervat kan worden in een andere passende functie binnen het bedrijf. Ook moet worden nagegaan of een andere functie passend kan worden gemaakt.

 

Als inschakeling in het eigen bedrijf niet of onvoldoende mogelijk is, moet worden gekeken naar mogelijkheden bij een andere werkgever. In al deze gevallen dient beoordeeld te worden of het werk voor de werknemer ‘passend’ is. Is de werkgever naar het oordeel van het UWV in zijn re-integratie-inspanningen in gebreke gebleven en heeft hij daarvoor geen deugdelijke grond, dan wordt de WIA-aanvraag van de werknemer opgeschort. De werkgever moet dan loon blijven doorbetalen, de loonsanctie.

 

De rechtbank is van oordeel dat het hierboven uiteengezette beleid blijft binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling. Bij dat oordeel neemt de rechtbank in aanmerking dat het betoog van eiseres in het beroepschrift dat het kader (ten onrechte) aan de werkgever een resultaatsverplichting ter zake re-integratie oplegt, feitelijke grondslag ontbeert.

 

In het kader staat dat de werkgever binnen de grenzen van de redelijkheid al het mogelijke doet met het oog op re-integratie en dat het re-integratieresultaat niet optimaal hoeft te zijn. Hier is veeleer sprake van een inspanningsverplichting.

 

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of het re-integratieresultaat bevredigend is geweest. Voor het antwoord op die vraag is van belang of de werknemer, gegeven zijn arbeids-mogelijkheden, aan het einde van de wachttijd werkte.

 

Het betoog van eiseres dat het UWV aanleiding had moeten zien om een verzekeringsarts van verweerder een eigen medisch onderzoek te laten verrichten naar onder meer de arbeidsmogelijk-heden van de werknemer, treft reeds hierom geen doel, omdat een dergelijke handelwijze zich niet zou verdragen met het wettelijk systeem.

 

Uit artikel 25 van de WIA en de daarop gebaseerde regelgeving blijkt helder dat het UWV wordt geacht zich te beperken tot het toetsen van de re-integratie-inspanningen van de werkgever. De medische gegevens in de rapporten van de bedrijfsarts van de werkgever in het re-integratie- verslag vormen het uitgangspunt van die toetsing. Aangezien de werknemer aan het einde van de wachttijd niet werkte, terwijl hij – onbetwist – arbeidsmogelijkheden had, is van een bevredigend resultaat geen sprake.

 

Daarvan uitgaande gelden voor werkgever de in wet- en regelgeving neergelegde re-integratie-verplichtingen. De vraag dient dan te worden beantwoord of eiseres heeft voldaan aan die verplichtingen en of, zo dat niet het geval is, eiseres daarvoor deugdelijke gronden had. De rechtbank overweegt wat dat betreft als volgt.

 

Het geding spitst zich toe op de vraag of eiseres zich, mogelijk vanaf april 2006, maar in ieder geval vanaf juli 2006 voldoende heeft ingespannen om een passende functie voor de werknemer te vinden bij een andere werkgever (spoor 2).

 

De rechtbank stelt vast dat de bedrijfsarts in de periodieke evaluatie van 19 juli 2006 heeft gesteld dat de prognose van de werknemer slecht is voor zijn eigen werk en goed voor minder armbelastend werk. Voor de werknemer passende functies binnen de machinefabriek zijn hoe dan ook armbelastende functies.

 

Met het UWV is de rechtbank van oordeel dat in ieder geval vanaf juli 2006 het op de weg van werkgever  had gelegen om zich in te spannen om de werknemer te re-integreren bij een andere werkgever. Van dergelijke inspanningen is de rechtbank niet gebleken. Werkgever heeft in zoverre dan ook niet voldaan aan haar re-integratieverplichtingen.

 

Werkgever heeft voor haar inactiviteit naar het oordeel van de rechtbank geen deugdelijke gronden aangevoerd. Dat, zoals werkgever heeft betoogd geen medische eindsituatie was bereikt en dat de werknemer moeilijk plaatsbaar zou zijn bij een andere werkgever, levert niet een zodanige grond op.

 

De rechtbank is – concluderend – van oordeel dat eiseres zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. Verweerder heeft dan ook terecht met toepassing van artikel 25, negende lid, van de WIA aan eiseres een loonsanctie opgelegd.

Beslissing  

De rechtbank:  verklaart het beroep ongegrond.

 

Aldus gegeven door mr. drs. J.H. van Breda en in het openbaar uitgesproken op 3 december 2007 in tegenwoordigheid van de griffier.

 

 
HomeVoorwaardenDisclaimerPrivacySitemap