Home arrow Wet en regelgeving arrow Jurisprudentie arrow Sociale zekerheid arrow Verhuizing tijdens ziekte met gevolgen!
Verhuizing tijdens ziekte met gevolgen!

Een kraamverzorgster werkzaam bij een instelling te Haarlem valt op  26 januari 2005  uit wegens ziekte. Op 30 juli 2006 schrijft werkneemster haar werkgever dat zij met ingang van 1 september 2006 gaat verhuizen naar Kommerzijl in Groningen.

Werkgever reageert met de mededeling dat hij het verhuisbericht beschouwt als een opzegging van het dienstverband per 31 augustus 2006, nu het door de verhuizing niet meer mogelijk en van haar ook redelijkerwijs niet te vergen zal zijn de re-integratiewerkzaamheden te verrichten, gezien de reistijd van minimaal 4,5 à 5 uur per dag per auto en de medische bezwaren daartegen.

Werkgever meldt  tevens dat hij haar behoudens tegenbericht per 1 september 2006 als ziek uit dienst zal melden bij het UWV, waarna UWV de ziektewetverplichtingen op zich zal nemen. Werknemer is gevraagd uiterlijk 11 augustus 2006 haar standpunt schriftelijk aan de werkgever kenbaar te maken. Bij brief van 14 augustus 2006 heeft werkneemster, werkgever medegedeeld dat haar uit informatie van het UWV is gebleken dat het Uwv haar een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) zal verlenen en haar verder zal helpen met re-integreren en dat zij daarom het voorstel van de werkgever accepteert. Vervolgens heeft de werkgever per brief  bevestigd dat de arbeidsovereenkomst per 31 augustus 2006 eindigt en dat hij bij het UWV zal melden dat werkneemster ziek uit dienst is gegaan.

UWV weigert vervolgens om een uitkering ingevolge de ZW te verstrekken, omdat werkneemster een bena-delingshandeling heeft gepleegd door tijdens haar ziekte ontslag te nemen.  Werkneemster heeft tegen dit besluit geen bezwaar gemaakt wel heeft zij zich opnieuw tot de werkgever gewend. Stellende dat de door de werkgever in het vooruitzicht gestelde ZW-uitkering niet is verstrekt  heeft werkneemster aangegeven het ontslag te willen terugdraaien en aanspraak te maken op doorbetaling van loon. Werkneemster heeft daarbij benadrukt dat zij niet zelf ontslag heeft genomen. De werkgever heeft haar op 7 december 2006 medegedeeld dat er voor hem geen aanleiding is om zijn positie te herzien.

Het UWV  heeft op 27 december 2006 geweigerd werkneemster per 24 januari 2007 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

Werkneemster heeft met ingang van 24 januari 2007 een WW-uitkering aangevraagd. Het UWV heeft deze uitkering op 8 februari 2007 blijvend geheel geweigerd omdat zij verwijtbaar werkloos is geworden omdat de dienstbetrekking door haarzelf dan wel op haar verzoek is beëindigd, terwijl aan voortzetting van de dienstbetrekking niet zodanige bezwaren waren verbonden dat dit redelijkerwijs niet van haar kon worden verlangd.

Volgens het UWV kan de verhuizing van werkneemster van IJmuiden naar Kommerzijl niet als een onvermijdelijke verhuizing worden beschouwd en bestond er daarom, vanuit de WW gezien, voor werkneemster geen acute noodzaak om ontslag te nemen bij de werkgever. Daarbij heeft het Uwv mede in aanmerking genomen dat de verhuizing naar Kommerzijl niet medisch nood-zakelijk was, nu het advies van de behandelend cardioloog van haar echtgenoot om te verhuizen naar een rustiger woonomgeving daartoe niet noopte.

De rechtbank heeft het beroep van werkneemster ongegrond verklaard. De rechtbank ging ervan uit dat werkneemster  per 1 september 2006 zelf ontslag heeft genomen teneinde, gevolg gevend aan een doktersadvies, met haar echtgenoot te kunnen verhuizen naar een plaats buiten de Randstad.  De rechtbank achtte aannemelijk dat zij is verhuisd vanwege de gezondheidstoestand van haar echtgenoot, maar was van oordeel dat werkneemster  de (medische) noodzaak van de verhuizing niet, dan wel onvoldoende heeft onderbouwd.

Bij de Centrale Raad van Beroep heeft werkneemster naar voren gebracht dat zij niet zelf ontslag heeft genomen, maar het voorstel van de werkgever betreffende de beëindiging van de arbeidsovereenkomst heeft geaccepteerd in de veronderstelling dat het Uwv haar een uitkering ingevolge de ZW zou toekennen, zoals door de werkgever was aangegeven en ook door UWV telefonisch aan haar was medegedeeld.

Zij meent dat zij niet verwijtbaar werkloos is geworden, omdat haar geen andere keus restte dan te verhuizen met haar echtgenoot, waardoor de reisafstand onoverbrugbaar werd. Vervolgens heeft het Uwv ten onrechte geen rekening gehouden met deze omstandigheden, noch met het gegeven dat, indien de arbeidsovereenkomst was voortgezet, de loondoorbetalingsverplichting van de werkgever op 24 januari 2007 zou zijn afgelopen, zodat op dat moment een recht op WW-uitkering ontstond.

De Raad stelt vast dat als gevolg van de verhuizing naar Kommerzijl de reisafstand naar de regio Kennemerland onoverbrugbaar werd en het voortzetten van de werkzaamheden voor haar werkgever onmogelijk maakte. De mededeling aan de werkgever dat zij zou gaan verhuizen, kon door de werkgever dan ook bezwaarlijk anders worden begrepen dan als een aankondiging van het einde van de dienstbetrekking. Uit de gang van zaken na de ontvangst van het verhuisbericht blijkt dat de werkgever dit ook aldus heeft begrepen.

Naar het oordeel van de Raad heeft werkneemster zo het initiatief tot het beëindigen van de dienstbetrekking genomen. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat het UWV terecht het standpunt heeft ingenomen dat niet is gebleken dat aan de voortzetting van haar dienstbetrekking zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van haar zou kunnen worden gevergd.

De Raad heeft hierbij in aanmerking genomen dat werkneemster de gestelde noodzaak om te verhuizen, gelegen in de gezondheidstoestand van haar echtgenoot en het advies van diens cardioloog aan hem om in een rustiger omgeving te gaan wonen, niet met medische stukken heeft onderbouwd.

Hieruit volgt dat de rechtbank het standpunt van het UWV dat appellante verwijtbaar werkloos is geworden in de zin van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, in verbinding met artikel 24, tweede lid, aanhef en onder b, van de WW terecht in stand heeft gelaten.

De Raad is voorts met de rechtbank van oordeel dat niet gebleken is van omstandigheden op grond waarvan kan worden aangenomen dat de werkloosheid werkneemster niet in overwegende mate kan worden verweten. Voor matiging van de maatregel bestond daarom geen aanleiding.

©   L&M sociale zekerheid    LJN: BI3390, Centrale Raad van Beroep , 08/3049 WW

 
HomeVoorwaardenDisclaimerPrivacySitemap