Home arrow Wet en regelgeving arrow Jurisprudentie arrow Sociale zekerheid arrow Wanneer inzet van het tweede spoor?
Wanneer inzet van het tweede spoor?

Een productiemedewerker kreeg op 4 januari 2006 een arbeidsongeval met als gevolg ernstig enkelletsel. De werknemer onderging  verschillende operaties maar zonder het gewenste resultaat.

Op 6 december 2007 heeft UWV werkgever meegedeeld dat de loondoorbetalingsverplichting met (hoogstens) 52 weken wordt verlengd omdat niet binnen een redelijke termijn een traject tweede spoor is opgestart.

UWV stelt dat begin juni 2007 duidelijk was dat terugkeer naar eigen werk niet mogelijk was, maar dat er in november 2007 nog geen re-integratietraject was gestart. Werkgever voert  aan dat zij er alles aan heeft gedaan om werknemer te re-integreren en dat niet eerder dan medio juni 2007 bij haar bekend werd dat terugkeer naar het eigen werk voor werknemer  vrijwel uitgesloten was. Vervolgens heeft werknemer op 7 augustus 2007 ArboNed opdracht verstrekt arbeidskundig onderzoek te doen naar de re-integratiemogelijkheden  hetgeen heeft geleid tot de rapportage van 1 oktober 2007.

Pas toen deze rapportage beschikbaar was, was ook duidelijk dat hervatting door werknemer in aangepaste werkzaamheden binnen het eigen bedrijf  niet tot de mogelijkheden behoorde. Op dat moment hebben de arbeidsdeskundige van Arboned en de bedrijfsarts het tweede spoor geadvi seerd.  

De rechtbank stelt vast dat een werkgever verplicht is re-integratie bij een andere werkgever te bevor deren (het 'tweede spoor' in te zetten), indien vaststaat dat de werknemer de eigen arbeid niet meer kan verrichten en er geen andere passende arbeid in het bedrijf van de werkgever voorhanden is.

De rechtbank begrijpt het standpunt van UWV dat hij werkgever tegenwerpt dat zij heeft nagelaten vanaf in ieder geval 14 juni 2007 het tweede spoor in te zetten. Met UWV is de rechtbank van oordeel dat het op, of kort na, 14 juni 2007 eiseres duidelijk moet zijn geweest dat terugkeer van werknemer in het eigen werk onwaarschijnlijk was.

De Arbodienst heeft werkgever, naar aanleiding van telefonisch contact met werknemer  op 13 juni 2007, meegedeeld dat volledig herstel in het eigen werk vrijwel uitgesloten is. De Arbodienst heeft werknemer toen voorts geadviseerd te zoeken naar zittend werk. Daarmee staat echter nog niet vast dat werknemer op geen enkele wijze meer in het bedrijf aangepast werk zou kunnen verrichten.

De omstandigheid dat in het bedrijf geen zittend werk voorhanden was, betekent immers nog niet dat de wel aanwezige werkzaamheden niet zouden kunnen worden aangepast aan de beperkingen van werknemer. Mede om die vraag te beantwoorden heeft eiseres op 7 augustus 2007 ArboNed opdracht verstrekt onderzoek te verrichten naar de re-integratiemogelijkheden van werknemer.  

ArboNed heeft op 1 oktober 2007 gerapporteerd dat het eigen werk niet passend is te maken en ook geen ander werk bij eiseres geschikt is voor werknemer. Eerst op dat moment stond vast dat re-inte gratie bij eigen werkgever niet mogelijk was en - dus - een traject tweede spoor moest worden inge zet.

Dit leidt tot de conclusie dat het standpunt van UWV - dat werkgever het tweede spoor had moeten inzetten binnen redelijke termijn na 14 juni 2007 - gebaseerd is op een onjuiste aanname. Het besluit berust derhalve niet op goede gronden. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit zal worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12 Awb.

Omdat het verwijt van UWV uitsluitend betrekking heeft op de te lange duur van het inzetten van het traject tweede spoor na 14 juni 2007 en UWV werkgever geen andere verwijten heeft gemaakt met betrekking tot de re-integratie van werknemer, is er rechtens geen andere beslissing mogelijk dan het herroepen van het besluit waarbij de loondoorbetalingsverplichting van werkgever  ten aanzien van werknemer  werd  verlengd.

©  L&M sociale zekerheid bron:  LJN: BH2871, Rechtbank Haarlem,  AWB 08/2329  

 
HomeVoorwaardenDisclaimerPrivacySitemap