Home arrow Wet en regelgeving arrow Jurisprudentie arrow Sociale zekerheid arrow Bedrijfsovername en eigenrisicodragen, een risicovolle combinatie
Bedrijfsovername en eigenrisicodragen, een risicovolle combinatie

Vanaf 16 november 1998 is Harry Jansen als modelmaker in dienst geweest van VOF Y. In maart 2000 is de Harry ziek geworden en met ingang van 7 april 2001 kreeg hij een WAO uitkering. VOF Y. ontving een kopie van het WAO besluit. VOF Y. is in maart 2001 failliet verklaard en werd op 1 mei 2001 overgenomen door VOF X. VOF X. wordt per 1 juli 2004 eigen risicodrager  voor de WAO. Op 19 mei 2004 is B.V X. opgericht. Alle activa en passiva van de V.O.F. X worden in B.V. X. ingebracht.

Op 31 oktober 2005 heeft het UWV V.O.F. X een aankondiging gedaan over per 1 juli 2004 bestaande betalingsverplichting betreffende door UWV voorgeschoten WAO-uitkering van Harry.

Op 5 mei 2006 heeft UWV aan de V.O.F. X medegedeeld dat zij per 1 juli 2004 eigen risicodrager voor de WAO is geworden en de WAO-uitkering van Harry moet betalen zolang deze nog geen vijf jaar heeft geduurd. Tevens is medegedeeld dat het UWV de WAO-uitkering aan Harry als voorschot heeft uitbetaald en daarom voornemens is de uitkering op de V.O.F. X te verhalen over de periode van 1 juli 2004 tot 7 april 2006. Tegen dit besluit is geen bezwaar gemaakt.

Op 8 september 2006 stelt UWV vast dat de V.O.F. X de aan de werknemer betaalde WAO-uitkering vanaf 1 juli 2004 ten bedrage van  € 24.631,09 moet  terugbetalen. Tegen dit besluit werd bezwaar gemaakt.
Het UWV verklaart het bezwaar ongegrond en de rechtbank heeft het ingestelde beroep ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft BV X. aangevoerd UWV bij het nemen van het bestreden besluit het rechtszekerheidsbeginsel heeft geschonden. Daartoe is aangevoerd dat VOF X (en BV X) destijds niet in kennis zijn gesteld van enige aan de werknemer toegekende en uitbetaalde WAO-uitkering. Bovendien heeft het UWV verzuimd een eerstejaars herbeoordeling uit te voeren. Gelet op deze combinatie van feiten en omstandigheden had het UWV moeten afzien van het verhaal van de WAO-uitkering.  

In hoger beroep                                                                                                             

Vaststaat dat BV X  als eigen risicodrager vanaf 1 juli 2004 de WAO-uitkering van de werknemer moest betalen doch dat niet gedaan heeft. Hieruit volgt dat het UWV op grond van artikel 75a, van de WAO, verplicht was de uitkering aan de werknemer te betalen en deze te verhalen op BV X. Daarbij gaat het om dwingend recht, waarvan in beginsel niet kan worden afgeweken.

De door BV X. aangevoerd rechtsgronden zijn is niet aan te merken als bijzondere omstandigheden waardoor van verhaal zou kunnen worden afgezien. De Raad merkt op dat destijds aan werkgever een afschrift van het WAO-toekenningsbesluit is gezonden. De rechtsvoorganger V.O.F. X. had in het kader van haar besluitvorming over het aanvragen van het eigen risicodragerschap een eigen onderzoeksplicht. Zij had ook zelf bij het UWV informatie kunnen inwinnen over mogelijk lopende arbeidsongeschiktheidsuitkeringen. Dat dit is nagelaten komt voor rekening en risico van BV X.

Tenslotte overweegt de Raad dat (de rechtsvoorganger van) BV X.  zelf destijds aan het UWV had kunnen vragen om het recht van de werknemer op WAO- uitkering opnieuw te (her)beoordelen en daarover een besluit te nemen. Als (de rechtsvoorganger van) BV X. het met dat besluit niet eens was geweest had zij daartegen rechtsmiddelen kunnen aanwenden.

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Bron: www.rechtspraak.nl    © L&M sociale zekerheid

 
HomeVoorwaardenDisclaimerPrivacySitemap