Home arrow Wet en regelgeving arrow Jurisprudentie arrow Sociale zekerheid arrow Ontslagnemen en WW rechten
Ontslagnemen en WW rechten

Pieter heeft van 22 april 2008 tot 8 oktober 2008 gewerkt bij bedrijf A. Na onenigheid met zijn chef heeft Pieter ontslag genomen. Per 1 november 2008 is hij in dienst gekomen bij firma B op basis van een arbeidsovereenkomst voor 6 maanden. Binnen de proeftijd is de arbeidsovereenkomst, met ingang van 16 december 2008, beëindigd.

UWV heeft een WW-uitkering geweigerd omdat het ontslag op 8 oktober 2008 verwijtbaar was en Pieter daarna niet ten minste 26 weken heeft gewerkt. Pieter heeft bezwaar gemaakt.

UWV stelt zich op het standpunt dat het ontslag bij firma B Pieter niet te verwijten is, maar het ontslag bij bedrijf A wel. UWV is tot de conclusie gekomen dat de aanleiding waardoor Pieter het niet meer leuk vond om bij de bedrijf A te werken zijn gedrag was. Als hij zich als een goed werknemer had gedragen, had hij geen ontslag hoeven te nemen en was hij niet werkloos geworden op 16 december 2008. UWV acht Pieter daarom verwijtbaar werkloos op 16 december 2008.

Pieter is het hier niet mee eens. Hij stelt dat het gedrag van de voormalig filiaalmanager bij bedrijf A het hem onmogelijk maakte plezier te hebben in de werkzaamheden. Zijn ontslag was in feite gedwongen, hij vertrok met tegenzin want hij kon het goed vinden met zijn collega’s. De filiaalmanager is later ontslagen omdat hij fraude pleegde. Pieter heeft verklaard zich altijd volledig voor zijn werk te hebben ingezet.  

De rechtbank overweegt het volgende:
Op grond van het dossier en wat ter zitting is gehoord stelt de rechtbank vast dat Pieter zelf ontslag heeft genomen bij
bedrijf A, terwijl hij op dat moment nog geen enkel vooruitzicht had op werk. Het feit dat hij dezelfde dag alsnog is gaan solliciteren bij firma B, hetgeen resulteerde in een baan die vier weken later begon, doet daar niet aan af. Pieter heeft daarmee bewust het risico genomen dat hij verwijtbaar werkloos zou worden. Ook heeft Pieter onvoldoende aannemelijk gemaakt, bijvoorbeeld door een controleerbare verklaring van een getuige, dat het gedrag van zijn werkgever dermate bezwaarlijk was dat een voortzetting van zijn dienstverband tot de aanvang van een nieuwe baan niet van hem kon worden gevergd.

Onder deze omstandigheden leidt het bepaalde in artikel 27, eerste lid van de WW ertoe dat de WW-uitkering blijvend geheel wordt geweigerd, tenzij het niet nakomen van de in artikel 24, eerste lid, onderdeel a, van die wet neergelegde verplichting, het voorkomen van verwijtbare werkloosheid, Pieter niet in overwegende mate kan worden verweten. Van feiten of omstan-digheden die wijzen op verminderde verwijtbaarheid is de rechtbank echter niet gebleken. 

De rechtbank verklaart het beroep daarom ook ongegrond.

LJN: BM2305, Rechtbank Haarlem      © L&M sociale zekerheid

 
HomeVoorwaardenDisclaimerPrivacySitemap