Home arrow Wet en regelgeving arrow Jurisprudentie arrow Sociale zekerheid arrow Vier re-integratiebureau's en toch een loonsanctie
Vier re-integratiebureau's en toch een loonsanctie

Mevrouw Jansen nu 61 jaar oud, trad in 1988 in dienst  als hoofdbediening bij een horecaonder-neming. Zij heeft zich per 13 maart 2007 ziek gemeld met knie-  en psychische klachten. Jansen vraagt bij UWV een WIA-uitkering aan. Dit levert een loonsanctie op omdat, naar mening van UWV, er onvoldoende re-integratie-inspanningen zouden zijn geleverd in het kader van het tweede spoor.

Werkgever gaat in beroep en stelt alles te hebben gedaan wat in haar macht lag om Jansen te laten re-integreren bij een andere werkgever. Zij heeft vier bureaus ingeschakeld hetgeen helaas niet tot herplaatsing van Jansen heeft geleid.

Hieronder de opdracht aan de vier bureau’s en de uitkomst ervan.

Elabo, buro voor  arbeidsconsultancy Verrichtte onderzoek naar de re-integratiemogelijkheden. Rapporteerde dat door fysieke beperkingen, de leeftijd, eenzijdige werkervaring en beperkte opleidingsniveau er nauwelijks of geen kansen waren op werk.  
Fourstar Stelde een trajectplan op met als conclusie dat begeleiding naar ander werk gezien de klachten, de leeftijd, de eenzijdige werkervaring en de onmogelijkheid tot omscholing, niet haalbaar is. Het is niet bekend wanneer zij genoeg hersteld zal zijn om succesvol mee te doen aan haar eventuele re-integratie traject.
USG Restart, re-integratiebedrijf Onderzocht ook de re-integratiemogelijkheden in het tweede spoor. Er werd  een  transitietraject geadviseerd en uitgevoerd. In de eindrapportage is geconcludeerd dat  Jansen lichamelijk en psychisch nog niet zo ver lijkt te zijn dat zij zich open kan stellen voor nieuwe uitdagingen in een ander beroep.  Verdere toeleiding naar werk wordt op het moment van de rapportage niet realistisch geacht.  
Aob Compaz B.V buro voor loopbaanbegeleiding In haar rapportage heeft Aob geconcludeerd geen mogelijkheden te zien voor het inzetten van een spoor 2 traject. Naast haar ernstige lichamelijke en geestelijke klachten, maken de leeftijd, de eenzijdige werkervaring en opleiding dat de kansen op de arbeidsmarkt nihil zijn.  

 

 

 

 

 

 

 

 

De rechter stelt vast dat bij Jansen geen sprake is van “geen benutbare mogelijkheden” dus zal de rechtbank moeten beoordelen of UWV voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat werkgever onvol-doende re-integratieinspanningen in het tweede spoor heeft verricht.

De UWV bezwaarverzekeringsarts heeft in zijn rapport overwogen dat er geen harde aanwijzingen zijn voor doemdenken bij Jansen. Zij is tot werken gemotiveerd en heeft in samenwerking met de bedrijfsarts en werkgever de mogelijkheden afgetast. Wel komt volgens bezwaarverzekeringsarts uit de stukken naar voren dat Jansen zich (te) veel liet leiden door pijn en angst. De bezwaararbeids-deskundige van UWV geeft in zijn rapportage dat er gedurende de twee jaar wachttijd perioden zijn geweest waarin door medische behandeling geen feitelijke re-integratie mogelijk was.

Vóór en ná de medische ingrepen zijn er perioden geweest waarin uitgeprobeerd had kunnen worden wat de mogelijkheden voor Jansen op de arbeidsmarkt waren. Meerdere re-integratie-bureaus zijn ingeschakeld maar die kwamen niet tot concrete resultaten.

Volgens de geldende regelgeving moet zolang er sprake is van restcapaciteit, tot aan de pensioengerechtigde leeftijd worden gewerkt. De bezwaararbeidsdeskundige is van mening dat in onvoldoende mate de mogelijkheden voor Jansen in ander werk zijn geëxploiteerd.

Tijdens de zitting heeft de vertegenwoordiger van UWV aangegeven dat de kern van het verwijt aan werkgever is dat zij Jansen door het stopzetten van loonbetaling onder druk had moeten zetten om meer mee te werken aan de re-integratieactiviteiten. De rechtbank stelt vast dat het verwijt - het onvoldoende onder druk zetten - zoals door UWV ter zitting is verwoord, niet in het bestreden besluit is vervat. Dit levert een motiveringsgebrek op.

De concrete invulling van de re-integratie is een taak van de werkgever. Dat laat echter onverlet dat het bepaalde in artikel 25, negende lid, van de WIA meebrengt dat de door het UWV bij het besluit tot oplegging van de loonsanctie gegeven motivering zodanig concreet dient te zijn, dat het de werkgever op basis daarvan voldoende duidelijk kan zijn waaruit zijn tekortkoming ten aanzien van de re-inte-gratieinspanningen bestaat. Immers, alleen dan zal de werkgever overeenkomstig artikel 25, negende lid, van de WIA in de gelegenheid zijn om die tekortkoming te herstellen, aldus de rechtbank.De rechtbank is van oordeel dat de motivering van het bestreden besluit niet aan de door de CRvB geformuleerde eisen voldoet en daarom dient het bestreden besluit te worden vernietigd.

De werkgever heeft aangevoerd dat zij al hetgeen heeft gedaan wat in haar macht lag om Jansen te laten re-integreren bij een andere werkgever. Werkgever heeft in de periode voorafgaand aan het loonsanctiebesluit, naast de door haar ingeschakelde arbodienst ArboNed Amsterdam, diverse arbeidsdeskundigen en re-integratiebureaus geraadpleegd in verband met de re-integratie van Jansen.

De rechtbank oordeelt dat niet gezegd kan worden dat werkgever in onvoldoende mate haar verantwoordelijk- heid ten aanzien van de re-integratie heeft genomen. Zij heeft immers in de periode voor het loonsanctiebesluit drie gekwalificeerde bureaus ingeschakeld teneinde advies te verkrijgen over de re-integratie in het tweede spoor. Daarom vindt de rechtbank dat niet gezegd kan worden dat werkgever onvoldoende re-integratieinspanningen heeft verricht, zodat het bestreden besluit geen stand kan houden. Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit wordt vernietigd.

LJN: BN3006, Rechtbank Amsterdam , AWB 10/311 WIA © L&M sociale zekerheid

 

 

 
HomeVoorwaardenDisclaimerPrivacySitemap