|
| Aanmelden nieuwsbrief |
|---|
![]() |
Wet en regelgeving
Jurisprudentie
Sociale zekerheid
De verantwoordelijkheden rond de verkorte wachttijd WIA | De verantwoordelijkheden rond de verkorte wachttijd WIA |
|
Een magazijnmedewerker, wij noemen hem verder Hendriks, valt uit door een hersenbloeding. Hendriks doet een aanvraag voor toepassing van de verkorte wachttijd WIA. Hendriks, werkgever en de bedrijfsarts zijn van mening dat er sprake is van duurzame en volledige arbeidsongeschiktheid. Bij de aanvraag zat een rapport van de revalidatiearts. UWV wees de aanvraag af omdat uit onderzoek was gebleken dat een jaar na een hersenbloeding nog verbetering kan optreden van de cognitieve stoornissen en hiermee ook van de functionele mogelijkheden. Daarbij werd door Hendriks er geen informatie van de huisarts aangeleverd en heeft de specialist geen nadere informatie aan de bedrijfsarts willen geven over de prognose. Tijdens de zitting bij de rechtbank heeft UWV zich op het standpunt gesteld dat wel sprake is van volledige, maar niet van duurzame arbeidsongeschiktheid. Na einde wachttijd heeft Hendiks wel een IVA-uitkering toegekend gekregen. Werkgever, die mede namens Hendriks in beroep gaat, stelt dat het UWV besluit onzorgvuldig is voorbereid en ondeugdelijk is gemotiveerd. Het had op de weg van UWV gelegen om werknemer zelf te onderzoeken en nadere informatie op te vragen bij de behandelaars. De verbeteringen waarover de bedrijfsarts in zijn verklaring spreekt en waar verweerder naar verwijst zijn geen verbetering van de belastbaarheid in het kader van de WIA.
De rechtbank moet beoordelen of het standpunt van UWV dat bij de werknemer geen sprake is van duurzame arbeidsongeschiktheid stand kan houden. Uit het rapport 3 september 2007 blijkt dat de UWV verzekeringsarts alleen het dossier bestudeerde en betrokkene niet zelf onderzocht, noch informatie bij derden ingewonnen. Zijn conclusie dat de arbeidsbeperkingen niet duurzaam zijn, is gebaseerd op de algemene stelling dat uit onderzoek blijkt dat na een jaar nog verbetering kan optreden van de cognitieve stoornissen en daarmee ook van de functionele mogelijkheden. Dit zou volgens de verzekeringsarts overeen komen met de verwachting van de bedrijfsarts.
Dit is evenwel naar het oordeel van de rechtbank niet de strekking van de verklaring van de bedrijfsarts, die juist aangeeft dat loonvormende arbeid uitgesloten is. Een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij de betreffende individuele verzekerde aan de orde zijn, heeft niet plaatsgevonden. Wel is in bezwaar door de werkgever nog een rapport van een neuropsychologisch onderzoek d.d. 12 maart 2007 overgelegd. Op grond van de informatie van het revalidatiecentrum en het neuro-psychologisch onderzoek is de bezwaarverzekeringsarts van oordeel dat er nog mogelijkheden worden gezien. Verder werpt hij de bedrijfsarts tegen dat deze onvoldoende onderbouwing heeft gegeven voor zijn standpunt en dat argumenten ontbreken om aan te nemen dat sprake is van volledige en duurzame arbeidsbeperkingen. Het is volgens de bezwaararts aan de bedrijfsarts om voldoende beargumenteerd gegevens aan te leveren. Naar het oordeel van de rechtbank getuigt bovengenoemd standpunt van de bezwaararts van een onjuiste bewijs- en taakopvatting. De rechtbank stelt vast dat is voldaan aan de formele vereisten dat een verklaring van de bedrijfsarts waaruit de medische situatie en de vooruitzichten van de werknemer blijken, werd bijgevoegd. Dat geen informatie van de specialist was bijgevoegd, kan de bedrijfsarts niet worden verweten, nu de specialist geen uitspraak over de prognose wilde doen. Nu werd voldaan aan de procedurele vereisten is het aan UWV om te onderzoeken of is voldaan aan de materiële voorwaarden die artikel 23, zesde lid, van de WIA stelt aan de verkorting van de wachttijd. In dit kader rust op UWV een onderzoeksplicht als neergelegd in artikel 3:2 van de Awb.
Hierin is UWV tekortgeschoten, nu de bezwaarverzekeringsarts van verweerder de werknemer niet heeft onderzocht, noch informatie heeft opgevraagd bij derden. Voorts dient de inschatting van de kans op herstel te berusten op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij de betreffende individuele verzekerde aan de orde zijn, waarvan in het onderhavige geval evenmin sprake is. Dit klemt te meer, daar van een dergelijke afweging in de primaire fase ook geen sprake was. Uitspraak den Haag 17 juni 2009 reg.nr.: AWB 07/9786 WIA
© L&M sociale zekerheid december 2010 Ad van Lieshout |