|
| Aanmelden nieuwsbrief |
|---|
![]() |
Wet en regelgeving
Jurisprudentie
Arbeidsrecht
Inschakelen recherchebureau bij ziekte | Inschakelen recherchebureau bij ziekte |
|
Is er een juridische basis voor het inschakelen van een recherchebureau bij een vermoeden van twijfels aan arbeidsverzuim? Over dit onderwerp is in de wet niets geregeld. Het uitgangspunt is dat de re-integratie van een zieke werknemer de verantwoordelijkheid is van de werkgever en de werknemer. Bij de verzuimbegeleiding dient de werkgever een arbodienst of een bedrijfsarts in te schakelen om de re-integratie van de zieke werknemer te begeleiden. Indien de werkgever een vermoeden heeft dat een werknemer onjuiste informatie geeft over zijn (ziekte)verzuim, kan de werkgever in bepaalde omstandigheden een particulier recherchebureau inschakelen om het verzuim en het gedrag van de werknemer te onderzoeken. Het ingeschakelde recherchebureau is gebonden aan de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus en de Wet bescherming persoonsgegevens. Eveneens geldt voor de recherchebureaus dat zij zorgvuldig moeten handelen en de Vereniging van Particuliere Beveiligingsorganisaties heeft ook een “Privacygedragscode sector particuliere onderzoeksbureaus” opgesteld waaraan de particuliere recherchebureaus zich moeten houden. Mag een werkgever zomaar een recherchebureau inschakelen om een zieke werknemer te controleren en hoe zit het met het recht op privacy van de werknemer? Hieronder zullen drie uitspraken worden besproken van verschillende kantonrechters waarin het inschakelen van een onderzoeks-bureau door de werkgever aan de orde was.
Jurisprudentie De werkgever stelde dat zij het onderzoek door bedrijfsrecherchebureau Hoffmann had laten uitvoeren naar aanleiding van twee anonieme tips. Uit het onderzoek zou zijn gebleken dat de werknemer geenszins 100% arbeidsongeschikt zou zijn. De kantonrechter oordeelde dat de stelling van de werkgever dat het deskundigenoordeel anders zou zijn uitgevallen indien het UWV kennis had gehad van het Hoffmann-rapport nergens op gebaseerd leek. De werknemer had verklaringen gegeven voor de waarnemingen van de Hoffmann-observanten die de kantonrechter niet zonder meer onaannemelijk voorkwamen. De werkgever kon voorts niet aangeven wat de inhoud was van de tips die waren binnengekomen en kon ook niet aangeven waarom zij was uitgegaan van de betrouwbaarheid van die tips. De kantonrechter oordeelde dat er op voorhand niet van uitgegaan kon worden dat er voldoende objectieve en genoegzame redenen waren om door het laten uitvoeren van het rechercheonderzoek een inbreuk te maken op het privéleven van de werknemer. De kantonrechter Breda (3) oordeelde op 5 augustus 2010 dat de werkgever naar aanleiding van een anonieme tip gerechtvaardigd opdracht had kunnen geven tot het observeren van een arbeidsongeschikte werknemer die ervan werd verdacht dat hij tijdens zijn ziekte werkzaamheden voor derden uitvoerde. De werknemer was sinds 1987 bij de werkgever in dienst als timmerman. Sinds 8 februari 2010 was de werknemer arbeidsongeschikt wegens klachten aan zijn schouder en nadien aan zijn knie. Op 5 mei 2010 ontving de werkgever een anonieme tip, inhoudende dat de werknemer tijdens zijn ziekte vrijwel dagelijks werkzaamheden voor derden uitvoerde. De werkgever heeft vervolgens een onderzoeksbureau ingeschakeld. Dit bureau heeft op vier dagen video-opnamen gemaakt en waarnemingen gedaan. Naar aanleiding van de bevindingen van het bureau heeft de werkgever de werknemer geschorst en een ontbindingsverzoek ingediend. De kantonrechter achtte het begrijpelijk dat de werkgever na de telefonisch ontvangen tip over het bijklussen door de werknemer, had willen nagaan of hiervan inderdaad sprake was. Naar het oordeel van de kantonrechter kon de werkgever dit – zowel met het oog op het verzamelen van feitelijke informatie als met het oog op het bewijs van de juistheid daarvan – niet anders doen dan hij heeft gedaan. De periode waarin observaties waren verricht (waarbij heimelijk opnamen waren gemaakt) was slechts kort geweest, de observaties en opnamen hadden zich alleen op de werknemer gericht en niet op anderen en de opnamen waren vanaf de openbare weg gemaakt en toonden niets wat een willekeurige voorbijganger niet ook had kunnen zien. Voor zover er al een inbreuk zou zijn gemaakt op de privacy van de werknemer, bracht dit volgens de kantonrechter niet mee dat de resultaten van het onderzoek in deze procedure buiten beschouwing moesten worden gelaten. De actie van de werkgever werd passend en proportioneel geacht. Ter zitting erkende de werknemer dat hij bij derden werkzaamheden had verricht. De arbeidsovereenkomst werd ontbonden zonder dat daarbij aan de werknemer een vergoeding werd toegekend. Op 13 juli 2009 moest de kantonrechter te Amsterdam (2) oordelen over een ontbindingsverzoek dat was ingediend door een werkgever, een hotel. De betreffende werkneemster zou hebben geweigerd om mee te werken aan haar re-integratie. Op 27 januari 2009 had de werkgever de werkneemster passende werkzaamheden aangeboden. Hierop stelde de werkneemster dat zij deze werkzaamheden niet kon verrichten en zij vroeg een deskundigenoordeel aan bij het UWV. Het UWV heeft de werkzaamheden als passend aangemerkt. De werkneemster meldde zich vervolgens opnieuw ziek. Tijdens bezoeken van de werkneemster aan de werkgever heeft zij het doen voorkomen alsof zij niet tot een gesprek in staat was en niet zelfstandig in en uit de auto kon stappen. Haar echtgenoot, die bij de gesprekken aanwezig was, heeft zelfs gezegd dat de werkneemster hun kinderen niet naar school kon brengen en dat zij ook niet zelfstandig naar haar werk kon gaan. Omdat collega’s de werkneemster echter over straat hadden zien lopen, heeft de werkgever een detectivebureau ingeschakeld. Dit bureau heeft vastgesteld dat de werkneemster zich buiten het hotel wel normaal voortbewoog, wel haar kinderen naar school bracht en hen weer ophaalde en zelfstandig naar afspraken ging. De werkgever heeft daarop ontbinding gevraagd. De kantonrechter verwierp het verweer van de werkneemster dat het onderzoeksrapport van het detectivebureau niet tot bewijs zou kunnen dienen. Het onderzoek was beperkt gebleven tot observaties op een beperkt aantal dagen, in de publieke ruimte en zonder dat derden zijn bevraagd of benaderd. De kantonrechter oordeelde dat er in dit opzicht geen sprake was van een onaanvaardbare inbreuk op de privacy van de werkneemster. Het na gerezen twijfel opdracht geven aan een onderzoeksbureau voor een onderzoek dat binnen de hier weergegeven beperkingen was gebleven, was niet in strijd met het goed werkgeverschap. Omdat de werkneemster geen medische verklaringen of ander bewijs had overgelegd waaruit het verschil in haar gedragingen bij de werkgever en in de publieke ruimte kon worden verklaard, ging de kantonrechter ervan uit dat de werkneemster het aangeboden passende werk had kunnen doen. Nu zij dit bleef weigeren, was ontbinding van de arbeidsovereenkomst zonder toekenning van een vergoeding aan de werkneemster op zijn plaats.
Conclusie Aangehaalde uitspraken:
1. Ktr. ’s-Gravenhage 24 februari 2011, JAR
2011/79. Auteur: Marieke Botter, advocaat bij Dirkzwager advocaten |