Home arrow Wet en regelgeving arrow Jurisprudentie arrow Sociale zekerheid arrow Weigering WIA-uitkering. Arbeidsongeschikt bij aanvang van de verzekering.
Weigering WIA-uitkering. Arbeidsongeschikt bij aanvang van de verzekering.

Emir werkte sinds 1 mei 2008 als slagerij medewerker. Op 19 juni 2008 viel Emir wegens rugklachten uit. Voor 1 mei 2008 ontving Emir jarenlang een bijstandsuitkering omdat hij zonder werk zat.

Emir diende een aanvraag WIA  in met verkorte wachttijd. Op 2 februari 2009 deelde UWV mee dat Emir 100% arbeidsongeschikt werd geacht en de IVA-uitkering per 21 januari 2009 werd toegekend. Later trok UWV dat besluit weer in en liet Emir weten dat hij geen recht had op een WIA-uitkering omdat hij arbeidsongeschikt was bij aanvang van de verzekering. Emir ging in beroep.

De rechtbank overwoog - in beroep - dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest en dat Emir als gevolg van DISH (diffuse idiopatische skelethyperostose) reeds bij aanvang van de verzekering ongeschikt was voor de maatmanfunctie. Vaststaat dat Emir ten tijde van de uitval volledig arbeids-ongeschikt was voor ondermeer staan en tillen.

Emir stelde  - in hoger beroep -  bij de Centrale Raad dat het onderzoek van de verzekeringsartsen onzorgvuldig was geweest en dat ten onrechte werd geconcludeerd dat hij al bij aanvang van de verzekering beperkingen had.  Voorts stelt Emir, onder verwijzing naar de rapporten en verklaringen van reumatoloog Cats en een brief van de neuroloog dr. G.W. van Dijk, dat aannemelijk is te achten dat zijn klachten bij uitval samenhingen met verschijnselen van wortelprikkeling, welke verschijnselen hij nog niet had toen hij met zijn werkzaamheden bij de slagerij begon. Deze prikkelingen zijn ook niet noodzakelijkerwijs het gevolg van de aandoening DISH die hij al wel had toen hij zijn arbeid begon. Daarom is aannemelijk dat zijn uitval niet valt terug te voeren op bij aanvang reeds bestaande problematiek.

Ook betwistte Emir dat zijn werkzaamheden bij de slagerij van meet af aan te belastend waren. Hij zou namelijk aangenomen zijn voor in- en verkoopwerk, kassawerk en coördinerend werk. Het zou gaan om fysiek lichte en overwegend zittend te verrichten arbeid. Doordat echter de bij de slagerij werkzame slager onverwacht na enkele weken opstapte, werd Emir vanaf dat moment ingezet voor de fysiek zwaardere arbeid als slager. Tenslotte deed Emir een beroep door UWV gewekte verwachtingen nu hem op 2 februari 2009 werd medegedeeld dat hem een IVA uitkering werd toegekend. Emir acht het onaanvaardbaar dat UWV is teruggekomen op de toekennende beschikking.

Overwegingen van de Centrale Raad

De Centrale Raad stelt vast dat Emir voor het eerst op 1 mei 2008 voor de WIA verzekerd is geraakt nadat hij jarenlang een bijstandsuitkering ontving. Volgens de jurisprudentie is voor toepassing van de door de UWV gehanteerde uitsluitingsgrond vereist dat de omstandigheden van het geval voldoende en ondubbelzinnige indicaties bevatten voor het bestaan van reële en volledige arbeidsongeschiktheid bij aanvang van de verzekering. 

Voor de Raad staat op grond van de beschikbare medische gegevens vast dat Emir reeds voor  aanvang van zijn werk forse beperkingen had als gevolg van de aandoening DISH. De behandelend reumatoloog Cats schrijft op 7 augustus 2009 aan bezwaarverzekeringsarts dat hij Emir voor het eerst op 18 juni 2008 heeft gezien met op dat moment uitgebreide pijnklachten aan wervelkolom, schouders en benen bij een ernstige en gevorderde morbus DISH. Er was ook sprake van een perifere artrose, discopathieën op meerdere wervelkolomniveaus en sensibiliteitsstoornissen, waarvoor verwijzing naar een neuroloog was geïndiceerd.  Een MRI-scan op 1 juli 2008 liet uitgebreide afwijkingen zien, passend bij een morbus DISH met daarbij een relatieve vernauwing van het wervelkanaal, echter zonder evidente compromitatie of uittredende wortels. DISH is volgens Cats een progressieve ziekte, waarvoor geen goede behandeling bestaat.De verzekeringsartsen hebben aangenomen dat Emir als gevolg van de morbus DISH bij aanvang verzekering op 1 mei 2008 reeds forse rugbeperkingen had. In de FML van 23 april 2009 zijn tal van beperkingen opgenomen in de rubrieken 4 (dynamische handelingen) en 5 (statische houdingen).  

Zo wordt Emir onder meer sterk beperkt geacht wat betreft tillen of dragen, in die zin dat hij in staat is geacht ongeveer 1 kilogram te tillen (incidenteel meer) en tijdens het werk maar een beperkt deel van de dag kan staan, ongeveer 1 uur.

De Raad heeft in hetgeen Emir naar voren heeft gebracht geen aanknopingspunten aangetroffen om de conclusies van de verzekeringsartsen voor onjuist te houden. Uit de stukken blijkt dat bij Emir sprake is van een degeneratief proces van de wervelkolom en dat Emir, toen hij zijn werkzaamheden aanvaardde, ook al last had van deze degeneratieve verandering.

Voor de Raad staat daarom voldoende vast dat het door Emir ter hand genomen werk bij de slagerij van meet af aan te zwaar voor hem was en hij derhalve terecht daarvoor reeds vanaf de aanvang ongeschikt is bevonden. De Raad kent hierbij belang toe aan hetgeen Emir zelf over de aard en zwaarte van het werk tegenover de arbeidsdeskundige arbeidsdeskundige M. Arts heeft verklaard. Namelijk dat hij vaak alleen in de winkel stond. Emir heeft het werk met veel pijnklachten zeven weken volgehouden, tot het niet meer ging. Het werk was te zwaar voor hem mede doordat hij toch meer bijvulwerk deed dan was afgesproken.

De Raad concludeert dat het UWV terecht is uitgegaan dat de omstandigheden van het geval voldoende en ondubbelzinnige indicaties bevatten voor het bestaan van reële en volledige arbeidsongeschiktheid bij aanvang van de verzekering. Dat UWV ook terecht het standpunt heeft ingenomen dat voor Emir ter zake van zijn uitval op 19 juni 2008 op grond van artikel 43, aanhef en onder c, van de Wet WIA geen recht op uitkering is ontstaan. De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

LJN: BV2039, Centrale Raad van Beroep, 10/4522 WIA

© L&M sociale zekerheid  alle rechten voorbehouden

 
HomeVoorwaardenDisclaimerPrivacySitemap