Home arrow Wet en regelgeving arrow Jurisprudentie arrow Sociale zekerheid arrow Beperkingen, pijn en re-integratie
Beperkingen, pijn en re-integratie

Op 10 juli 2008 legt UWV C&K BV  een loonsanctie opgelegd wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen.  

 

De rechtbank

C&K BV ging in beroep en de rechtbank vernietigde de loonsanctie. De rechtbank vond dat  C&K haar verantwoordelijkheid wel degelijk had  genomen door een multidisciplinair re-integratie interventie traject te bekostigen bij het Jan van Bremen instituut.  Volgens de rechtbank heeft C&K er in redelijkheid toe kunnen komen om na de eindrapportage het Centrum voor Arbeid en Gezondheid Amsterdam (CAGA), waarin vastgesteld werd dat haar werkneemster Coby geen arbeidsmogelijkheden had, de re-integratieactiviteiten te beëindigen.

 

Op dat moment beschikte C&K  over een oordeel van bedrijfsarts, dat Coby geen duurzaam benutbare mogelijkheden had, hetgeen werd onderschreven door de adviezen van het Jan van Bremen Instituut en de rapportage van re-integratiebureau CAGA. Dit werd ook bevestigd door de dagelijkse praktijk te weten dat Coby niet langer dan twee keer twee uur per week in aangepast werk kon functioneren.   

 

UWV in hoger beroep

UWV ging in hoger beroep en stelde dat C&K op onjuiste gronden en te vroeg heeft  geconcludeerd dat Coby in het geheel niet re-integreerbaar was. UWV vond ook dat de gevolgen van foute dan wel inadequate adviezen van ingeschakelde deskundigen voor rekening  van C&K dienen te komen.

 

Centrale Raad van Beroep

 Vastgesteld werd dat Coby na haar uitval op 5 september 2006 wegens fibromyalgie vanaf 25 mei 2007 op arbeidstherapeutische basis werkzaam is geweest voor twee keer twee uur per week. Herstel bleef uit en in verband met de lange reistijd is Coby hiermee gestopt in oktober 2007.

 

Coby is toen gestart met een door C&K betaalt arbeidsrevalidatietraject bij CAGA gericht in eerste instantie op verbetering van de belastbaarheid en vervolgens op reïntegratie in het tweede spoor. Dit traject is gelet op de eindevaluatie van CAGA afgesloten omdat er te weinig vorderingen waren en geen zicht op verbetering en er daardoor geen zicht was op werk op korte of lange termijn.

 

De bedrijfsarts heeft naar aanleiding van deze rapportage en op basis van een anamnese in het actueel oordeel van 29 april 2008 aangegeven dat Coby niet werkt, in de toekomst wel kan werken, maar dat haar mogelijkheden op dit moment zeer beperkt zijn.

Er blijven pijn- en vermoeidheidsklachten waardoor ze op dit moment fysiek niet in staat is eigen of andere arbeid te verrichten.  

De Centrale Raad kan evenals UWV  - en anders dan de rechtbank - uit de aanwezige dossiergegevens niet herleiden dat de bedrijfsarts heeft uitgesproken dat er sprake was van een situatie waarin geen benutbare mogelijkheden aanwezig waren.

 

In het actueel oordeel van 29 april 2008 is slechts een anamnese opgenomen; een volledig medisch onderzoek waaruit afgeleid zou kunnen worden dat Coby geen benutbare mogelijkheden had, heeft niet plaatsgevonden. Daarnaast heeft de verzekeringsarts op basis van bij Coby bestaande fibromyalgie- klachten haar functionele mogelijkheden vastgesteld volgens welke Coby geschikt geacht wordt voor lichte werkzaamheden zonder urenbeperking. Gelet hierop was er voor het beëindigen van de re-integratie-inspanningen dan ook geen reden.

 

Dat C&K in de eindrapportage van CAGA tot beëindiging van de re-integratieactiviteiten aanleiding heeft gezien deze stop te zetten leidt de Raad niet tot een ander oordeel gelet op de eigen verantwoordelijkheid van de werkgever in dezen, op grond waarvan de gevolgen van foute dan wel inadequate adviezen van door betrokkene ingeschakelde deskundigen voor zijn rekening dienen te komen.

 

De Raad wijst er daarbij op dat uit de bij de rapportage van CAGA behorende Quickscan valt af te leiden dat pijngedrag aanwezig was en dat dit de resultaten van het onderzoek heeft beïnvloed en dat er sprake was van deconditionering.

 

In dit licht bezien was mede gelet op het snelle staken van het traject een kritische en actieve houding van de werkgever aangewezen geweest. De Raad deelt tot slot het standpunt van de UWV bezwaarverzekeringsarts dat het mislukken van een werkhervatting niet als bewijs kan dienen voor een onvermogen tot werken op medische gronden.

 

De Centrale Raad vernietigt de aangevallen uitspraak en verklaart het beroep van UWV gegrond, de loonsanctie werd terecht opgelegd.

 

LJN: BV6617, Centrale Raad van Beroep , 10/2950 WIA  

 

© L&M sociale zekerheid   februari 2012 alle rechten voorbehouden

 
HomeVoorwaardenDisclaimerPrivacySitemap