Home arrow Wet en regelgeving arrow Jurisprudentie arrow Sociale zekerheid arrow Loonsanctie. UWV en werkgever zij aan zij
Loonsanctie. UWV en werkgever zij aan zij

Vaak staan werkgevers en UWV lijnrecht tegenover elkaar in procedures waarbij sprake is van een door UWV opgelegde loonsanctie. In deze casus gebeurde precies het omgekeerde. UWV en werkgeefster stellen zich op het standpunt geen aanleiding voor een loonsanctie. Werknemer Joris is het er niet mee eens en houdt dat vol.  

 

Joris, expeditiemedewerker, meldde zich op 29 oktober 2007 ziek wegens fysieke en psychische klachten. Het verzuim was werkgerelateerd. Er was sprake van ongewenste omgangsvormen op de werkvloer. In de probleemanalyse gaf de bedrijfsarts aan dat Joris in staat moet worden geacht op een andere afdeling werkzaamheden te verrichten. Joris zelf vond dat hij deels op de eigen afdeling zou kunnen werken. De bedrijfsarts acht terugkeer in het eigen werk onzeker.

 

Werkgever liet een psychiatrisch onderzoek uitvoeren. Er  werd vastgesteld dat Joris voldoet aan de beschrijving van het Syndroom van Asperger. De psychiater acht Joris daardoor niet goed op zijn plaats in een werksituatie waar veel gevraagd wordt van samenwerking, een flexibele instelling verwacht wordt en zich situaties met hoge werkdruk voordoen. De psychiater adviseert een plaats in een situatie waar Joris zijn eigen taken kan plannen, er niet te veel verstoringen zijn en hij niet in teamverband hoeft te werken.

 

In augustus 2008 liet werkgeefster weten dat gezien de bevindingen van de psychiater en de aard van de werkzaamheden, bij eigen vestiging als bij de andere vestigingen geen functies zijn die een goede en veilige werkomgeving bieden die passen bij het ziektebeeld. Het 2e spoor werd ingezet via een re-integratiebedrijf.

 

Op 17 september 2009 heeft UWV een loonsanctie opgelegd om administratieve redenen. Werkgeefster heeft niet voldaan aan haar re-integratieverplichtingen omdat werd nagelaten een compleet re-integratie-verslag te over leggen. Nadat werkgever de vragen alsnog beantwoordde, concludeerde UWV dat de re-integratie-inspanningen van werkgeefster voldoende zijn geweest. Hier ging Joris niet mee akkoord.

 

Rechtbank

Joris maakte bezwaar en toen dat ongegrond werd verklaard ging Joris in beroep. Ook de rechtbank verklaarde het beroep van Joris ongegrond en stelde dat de arbeidsdeskundige in haar rapport terecht tot de conclusie is gekomen dat bij werkgeefster geen mogelijkheden zijn tot werkhervatting hetgeen door meerdere onderzoeken en behandelaars wordt bevestigd. Werkgeefster heeft voldaan aan de re-integratie-inspanningen in spoor 1 en daarna spoor 2  ingezet. Dat dit nog niet heeft geleid tot werkhervatting is niet aan werkgeefster verwijtbaar.

 

Centrale Raad

Joris stelde in hoger beroep dat werkgeefster willens en wetens intimidatie in zijn richting zou hebben gebruikt en daarmee feitelijk zijn re-integratie onmogelijk heeft gemaakt. Volgens de Raad vond dit betoog geen steun in de stukken. Uit de feiten en omstandigheden blijkt dat er diverse activiteiten werden ondernomen gericht op re-integratie. Het hoger beroep slaagt daarom niet en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.

 

LJN: BZ5776, Centrale Raad van Beroep , 11/1922 WIA

 
HomeVoorwaardenDisclaimerPrivacySitemap