Home arrow Wet en regelgeving arrow Jurisprudentie arrow Grofheid wordt heel duur betaald
Grofheid wordt heel duur betaald

Thomas, 40 jaar oud, werkt sinds 2005 bij XX BV dat dance events organiseert. Thomas wordt op 22 februari 2012 arbeidsongeschikt. Thomas verzoekt op 17 januari 2013 om ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens gewichtige redenen. Voorts verzoekt Thomas om hem een vergoeding van EUR 57.456,- bruto ten laste van XX BV toe te kennen.  

 

Thomas stelt dat hij tijdens zijn dienstver­band steeds meer taken kreeg waardoor zijn werkdruk tot onaanvaardbare propor­ties opliep. In plaats van waardering werd hij door de directie in toenemende mate onheus bejegend en ernstig geschoffeerd. Hiervan kon Thomas via e-mails  meerdere voorbeelden aanleveren.  Toen dit leidde tot arbeidson­geschiktheid heeft werkgever zich niet ingespannen voor zijn reïntegra­tie. Thomas is inmiddels het vertrouwen in XX BV volledig kwijt.

Het verweer

XX BV betwist dat er gronden zijn om enige ver­goeding aan Thomas toe te ken­nen. XX BV stelt dat de omgangsvor­men binnen haar bedrijf confronterend en tamelijk direct zijn. Thomas zelf deed daaraan mee. Werkgever erkent dat in de loop der jaren het werk door minder mensen gedaan moest worden om financiële redenen. Ten aanzien van haar rol bij de arbeidsongeschiktheid van Thomas beroept werkgever zich op onbekendheid met de regels en een falende arbodienst.                          


Rechtbank overweegt

De rechtbank stelt vast dat de goede verstand­houding, noodzakelijk voor een verdere samenwerking tussen partijen, blijvend is verdwenen.

De communicatie tussen werkge­ver/werknemer is volgens de rechtbank niet 'tamelijk direct en confronterend' maar denigrerend en schofferend. Duidelijk is dat de grofheden van één kant komen.  

De arbeidsongeschiktheid
Op 22 februari 2012 meldt Thomas zich ziek en laat werkgever weten dat het advies van zijn huisarts is dat hij twee weken totale rust in acht moet nemen. XX BV berust daar niet in en doet diverse pogingen om toch in gesprek te raken met Thomas. Hij krijgt opdrachten die hij uitvoert. Na een bezoek aan zijn huisarts op 14 maart 2012 deelt Thomas mee dat hij op zijn kop heeft gehad van de huisarts. Hij verzoekt dringend om zakelijke aangelegenheden binnen het bedrijf op te lossen. Op 20 maart 2012 wenst XX BV hem sterkte bij zijn herstel en wenst inleve­ring van auto en laptop.

 

De reïntegratie komt niet van de grond. De bedrijfsarts adviseert mediation die uiteindelijk in septem­ber 2012 plaatsvindt. Bij de behandeling is naar voren geko­men dat doel van de mediation o.a. was om de communicatiestijl in het bedrijf te bespreken. Op 15 oktober 2012 is de mediation beëindigd. XX BV doet verder niets aan reïntegratie. In december 2012 oordeelt het UWV, middels een deskundigen oordeel,  dat werkgever onvoldoende reïntegratie-inspannin­gen heeft geleverd.

 

Pas op 9 januari 2013 ontvangt Thomas een e-mail voor een afspraak ten behoeve van het opstellen van een Plan van Aanpak. Thomas heeft dan al besloten een ontbindingsverzoek in te dienen.

Volgens de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de arbeidson­geschiktheid van Thomas aan een combina­tie van werkdruk en bejegening is toe te rekenen. Tijdens de arbeids­onge­schikt­heid heeft XX BV zich eerst laakbaar opgesteld. Zij heeft gepoogd nog van alles van Thomas gedaan te krijgen. Toen dat echt niet meer bleek te kunnen heeft zij onmiddellijk zijn auto en laptop teruggevorderd  om vervolgens niets meer van zich te laten horen.  Zij heeft geen reïntegratie-inspanning geleverd en de verantwoordelijkheid daarvoor geheel afgeschoven op de arbodienst dan wel onbekendheid met het feno­meen als excuus aangevoerd. Ook dit valt XX BV ernstig aan te rekenen. Tegen deze achtergrond kan van Thomas niet verwacht worden dat hij de arbeidsverhouding nog wil laten voortduren.

 

Habe nichts
XX BV heeft aangevoerd dat zij technisch failliet is en aangetoond dat het voortbestaan van XX BV twijfelachtig is geworden. Desondanks wordt daar bij het vaststellen van de vergoeding geen rekening mee gehouden. XX BV is in ernstige mate schuldig aan de situatie waarin Thomas is komen te verkeren. De situatie is niet vergelijkbaar met een ontbinding vanwege financiële onmacht.

 

Thomas is nog steeds niet beter en zijn vooruitzichten zijn niet direct positief. Ondanks de door XX BV overge­legde financiële stukken handhaaft hij zijn verzoek. XX BV moet maar kiezen of zij eventueel privé deze schuld voldoet of dat zij haar bedrijf, mede door deze schuld failliet wil laten gaan.

Uitspraak

De kantonrechter ontbindt de arbeidsovereenkomst per 1 maart 2013 en kent Thomas een vergoeding toe van € 57.456,- bruto.

Uitspraak LJN CA0080, Rechtbank Amsterdam, CV 12-24323



 
HomeVoorwaardenDisclaimerPrivacySitemap