Home arrow Wet en regelgeving arrow Jurisprudentie arrow Aanvraag premiekorting te laat?
Aanvraag premiekorting te laat?

LJN: BA2738, Centrale Raad van Beroep , 04/6553 WAO Datum uitspraak: 04-04-2007 Datum publicatie: 11-04-2007 Rechtsgebied: Sociale zekerheid Soort procedure: Hoger beroep

Inhoudsindicatie: Aanvraag premiekorting in verband met arbeidsgehandicapte werknemer niet binnen één jaar na indiensttreding. Verschoonbare termijnoverschrijding? Bijzondere omstandigheden? 

Uitspraak 04/6553 WAO Centrale Raad van Beroep

U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellante]t (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 19 oktober 2004, 03/2876 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en Uwv.

I. PROCESVERLOOP:  Appellante heeft hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

II. OVERWEGINGEN:  Voor een overzicht van de feiten en de toepasselijke algemeen verbindende voorschriften verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met de vermelding dat het Uwv bij besluit van 26 augustus 2003, in bezwaar gehandhaafd bij besluit van 16 oktober 2003, de aanvraag van appellante om korting op de door haar ingevolge de WAO en de WW voor de arbeidsgehandicapte werknemer Y verschuldigde premies, niet in behandeling heeft genomen.

De besluitvorming berust op de vaststelling door het Uwv dat de aanvraag (van 6 juni 2003) niet is gedaan binnen de termijn van één jaar na de indiensttreding van de betrokken arbeidsgehandicapte werknemer (17 april 2002), zoals is voorgeschreven in artikel 79b, eerste lid, van de WAO en de artikelen 82, tweede lid, en 82a, eerste lid, van de WW.

Appellante heeft tegen het besluit van 16 oktober 2003 beroep ingesteld en daarbij, voor zover in hoger beroep nog van belang, aangevoerd dat de termijnoverschrijding verschoonbaar moet worden geacht. Appellante heeft de aanvraag niet eerder ingediend, omdat zij er niet van op de hoogte kon zijn dat het om een arbeidsgehandicapte werknemer ging.

Eerst kort vóór 6 juni 2003 heeft werknemer Y appellante in kennis gesteld van het feit dat hij de status van arbeidsgehandicapte had.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Appellante heeft in hoger beroep twee tot haar gerichte besluiten op bezwaar van 24 juni 2005 en 4 juli 2005 in het geding gebracht, waarin het Uwv in volledig vergelijkbare gevallen de aanvraag om premiekorting - alsnog - heeft gehonoreerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling. Met verwijzing naar zijn uitspraak van 4 mei 2005 (LJN: AT6665), stelt de Raad voorop dat de in artikel 79b, eerste lid, van de WAO en de artikelen 82, tweede lid, en 82a, eerste lid, van de WW neergelegde termijn een materiële (bevoegdheids- of toepassings)voorwaarde is voor het gebruikmaken door het Uwv van de bevoegdheid om een aanvraag als hier aan de orde in te willigen.

Tussen partijen is niet in geschil, en ook voor de Raad staat vast, dat in dit geval die termijn is overschreden. Dat betekent dat de wet zich - dwingend - verzet tegen inwilliging van de aanvraag. Bij de brief van 21 december 2006 heeft het Uwv - zakelijk weergegeven - uiteengezet dat het (niettemin) in zeer bijzondere omstandigheden een termijnoverschrijding verschoonbaar acht.

In de twee hiervoor genoemde besluiten op bezwaar van 24 juni 2005 en 5 juli 2005 heeft het Uwv het volgende opgenomen: “Bij de beoordeling of er sprake is van een dergelijk uitzonderlijk geval, dient te worden getoetst of het om een situatie gaat waarin de werkgever op geen enkele wijze iets valt te verwijten. Een voorbeeld daarvan zou kunnen zijn, dat een werknemer met terugwerkende kracht de status van arbeidsgehandicapte verkrijgt, of wanneer een werknemer bij indiensttreding verzwegen heeft dat hij een arbeidsgehandicapte is.”.

Gelet hierop en op het gegeven dat appellante in bezwaar heeft aangevoerd dat werknemer Y haar niet eerder dan kort vóór 6 juni 2003 op de hoogte heeft gesteld van zijn status van arbeidsgehandicapte, kan de Raad tot geen andere conclusie komen dan dat het Uwv bij het besluit op bezwaar van 16 oktober 2003 ten onrechte, want in afwijking van het terzake gevoerde beleid, zijn standpunt heeft gehandhaafd dat de aanvraag van appellante niet in behandeling wordt genomen.

Hieruit volgt dat - met vernietiging van de aangevallen uitspraak - het beroep gegrond dient te worden verklaard en het besluit van 16 oktober 2003 dient te worden vernietigd.

De Raad zal het Uwv opdragen met inachtneming van deze uitspraak opnieuw op het bezwaar te beslissen. Dit betekent dat het Uwv de aanvraag alsnog in behandeling dient te nemen en daarop een inhoudelijke beslissing dient te geven.

Van kosten van appellante waarop een veroordeling in de proceskosten betrekking kan hebben is de Raad niet gebleken.

III. BESLISSING:  De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Vernietigt de aangevallen uitspraak.  Verklaart het beroep gegrond; Vernietigt het besluit van 16 oktober 2003;

Bepaalt dat het Uwv met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar neemt; Bepaalt dat het UWV aan appellante het door haar in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 641,-- vergoedt.

 
HomeVoorwaardenDisclaimerPrivacySitemap