Home arrow Wet en regelgeving arrow Jurisprudentie arrow Onvoldoende re-integratie-inspanningen
Onvoldoende re-integratie-inspanningen

LJN: BA5164, Rechtbank Rotterdam , 06/4828

Loonsanctie “ onvoldoende re-integratieinspanningen van werkgever” Rechtbank Rotterdam uitspraak 10 mei 2007

Een horecamedewerkster 18 uur per week werkzaam bij een sportfondsenbad is op 29 september 2004 uitgevallen wegens arm- en rugklachten. Het UWV heeft de loondoorbetalingsverplichting van werkgever met 52 weken verlengd omdat de re-integratie-inspanningen van eiseres onvoldoende werden beoordeeld en er geen deugdelijke grond is voor dat verzuim.

Werkgever tekent beroep aan en betwist dat zij ten aanzien van de werkneemster onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht en haar inspanningen slechts gericht zijn geweest op het procesmatig vastleggen van haar activiteiten.

Werkgever stelt dat de WIA geen aanduiding geeft van het begrip “onvoldoende re-integratie-inspanningen”. De opgelegde sanctie is niet met een op de concrete motivering onderbouwd.

Werkgever bestrijdt dat, nu zij, direct nadat was vastgesteld dat interne re-integratie niet tot de mogelijkheden behoorde, is gestart met het re-integratietraject tweede spoor. De ingehuurde arbeidsdeskundige heeft ten aanzien van de werkneemster gesteld dat de forse beperkingen in samenhang met haar opleiding een grote afstand tot de arbeidsmarkt geven. Het UWV heeft slechts volstaan met het stellen dat het re-integratietraject tweede spoor opnieuw dient te worden opgestart en afgerond, dan wel dat de werkneemster wordt herplaatst in werk dat min of meer aansluit bij de resterende functionele mogelijkheden. Er is door het UWV geen rekening gehouden met de forse fysieke beperkingen van de werkneemster, haar leeftijd, opleiding en ervaring in samenhang met de huidige arbeidsmarkt.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft UWV zich terecht en voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat werkgever onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht in het kader van het traject tweede spoor.

1. 19 juni 2005 conclusie dat het traject tweede spoor moest worden gevolgd.

2. 19 augustus 2005 gesprek geweest tussen werkgever, werkneemster en de

extern adviseur/registerarbeidsdeskundige.

3. September 2005 intake bij het re-integratiebureau tweede spoor.

4. 3 oktober 2005 psychologisch test.

5. Uit de rapportage van 16 februari 2006 van de arbeidsdeskundige blijkt dat er

gesprekken zijn geweest met de werkneemster over het orienteren op de

arbeidsmarkt. Conclusie: werkneemster heeft nog veel gezondheidsklachten,

onder specialistische behandeling, gebrekkig mobiel en grote afstand tot de

arbeidsmarkt

6. Uit de rapportage van de registerarbeidsdeskundige van 6 juni 2006 komt naar

voren dat de werkneemster na het capaciteitenonderzoek (psychologische

rapportage) niet veel activiteiten op het gebied van re-integratie heeft kunnen

uitvoeren, maar dat zij wel bezig is met autorijden om haar angst te overwin-

nen. Zij kan wel reizen met openbaar vervoer, maar geen afstanden lopen.

De grote afstand tot de arbeidsmarkt kan volgens de arbeidsdeskundige niet worden opgeheven door een opleiding of een voorziening. Het re-integratiebureau is bezig geweest met plaatsing in de zorgsector, maar tot op heden zonder succes, terwijl de werkneemster zoekt naar vacatures in de dag- en huis-aan-huisbladen en via internet. Uit de voorhanden zijnde stukken blijkt niet van een concreet plan van aanpak om tot re-integratie van de werkneemster te komen of om de geconstateerde afstand tot de arbeids-markt te verkleinen. De rappor-tages van de arbeidsdeskundige vermelden feitelijk niet veel meer dan de belem-meringen die er zijn voor mogelijke re-integratie.

De stellingname van werkgever leidt de rechtbank niet tot de conclusie dat voldaan is aan de re-integratieverplichtingen. Dat werkneemster nog onder behandeling is van specialisten staat niet in de weg dat er een plan van aanpak moet worden opgesteld.

De rechtbank wijst er op dat nimmer is gesteld dat de werkneemster in de twee ziektejaren op enig moment geen (duurzaam) benutbare mogelijkheden had.

Het inschakelen van een re-integratiebureau voor de begeleiding naar ander werk

“an sich’ is niet voldoende om tegemoet te komen aan de vereiste voor re-integratie-inspanningen. Werkgever is te allen tijde de uiteindelijke verantwoor-delijke voor de re-integratie van haar werknemers. Het inroepen van hulp bij terzake deskundigen is een mogelijkheid, maar ontslaat de werkgever niet van zijn verantwoordelijkheid. Het is immers ook slechts de werkgever die de mogelijkheid heeft om medewerking van de medewerker af te dwingen door het eventueel opleggen van sancties.

De grief van werkgever dat niet duidelijk blijkt wat er exact van werkgever wordt verwacht met betrekking tot de re-integratieactiviteiten, kan niet slagen.

Het UWV heeft afdoende gemotiveerd dat er sprake dient te zijn van een concreet plan van aanpak en een afgerond traject.

Het is de taak van werkgever (en niet van het UWV) om, rekeninghoudend met de omstandigheden van het geval, de concreet te nemen stappen ten aanzien van de re-integratie van de werkneemster te formuleren en in een plan van aanpak gestalte te geven, dit traject te volgen en na afronding daarvan de resultaten neer te leggen in een eind-rapportage.

Het beroep van werkgever wordt ongegrond verklaard.

 
HomeVoorwaardenDisclaimerPrivacySitemap