Home arrow Wet en regelgeving arrow Jurisprudentie arrow WGA of IVA een groot financieel belang
WGA of IVA een groot financieel belang

De rechtbank in Zwolle deed op 31 mei 2007 een uitspraak over de vraag of een werknemer terecht en op goede gronden door het UWV in aanmerking werd gebracht voor de WGA. Werknemer was van mening dat hij recht moest hebben op een IVA uitkering ondanks het feit dat hij nog 12 uur aangepast kon blijven werken bij eigen werkgever. De rechtbank gaf werknemer gelijk.

De overwegingen leest u hieronder. Wij gaan ook in op het grote financiele belang van deze uitspraak voor zowel de werknemer als zijn werkgever.

De feiten en omstandigheden: De werknemer, eiser is voor 39 uur in de week werkzaam geweest als architect in loondienst. Hij is op 21 januari 2004 uitgevallen met klachten tengevolge van een combinatie van meerdere auto-immuunziekten. Werknemer is wel 12 uur per week in aangepast werk bij zijn werkgever werkzaam gebleven.

De verzekeringsarts heeft werknemer in staat geacht voor maximaal 12 uur per week werkzaam te zijn in passende werkzaamheden. Raadpleging van het CBBS door de arbeidsdeskundige heeft onvoldoende arbeidsmogelijkheden opgeleverd om tot een resterende verdiencapaciteit te kunnen komen. Ook een berekening op basis van verdiensten in het aangepaste werk heeft tot de conclusie geleid dat eiser voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt dient te worden beschouwd.

Dit leidde tot het besluit dat er weliswaar sprake is van volledige, maar niet van duurzame arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 4 van de Wet WIA.

Juridische grondslag: In het tweede lid van artikel 4 van de Wet WIA is bepaald dat in het eerste lid onder duurzaam wordt verstaan een medisch stabiele of verslechterende situatie. In het derde lid van genoemd artikel is bepaald dat onder duurzaam mede wordt verstaan een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat.

De eis: In beroep heeft werknemer gesteld dat deze zowel volledig als duurzaam arbeidson- geschikt is. Volgens werknemer kan uit het verloop van zijn ziekte worden afgeleid dat hij tot die groep behoort waarbij sprake is van een geringe kans op herstel. Het UWV geeft aan bij het ingenomen standpunt te blijven.

De rechtbank overweegt als volgt: Partijen zijn het er over eens dat werknemer bij einde wachttijd volledig arbeidson- geschikt is. Partijen zijn verdeeld over de vraag of verweerder terecht heeft gesteld dat deze arbeidsongeschiktheid niet duurzaam is.

Het standpunt van UWV is gebaseerd op de rapportages van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts. De bezwaararts heeft in haar beoordeling de brief van de specialist van werknemer, Prof. Dr. Mulder betrokken. In brief van 23 juni 2006 noteert de specialist dat werknemer chronische algemene malaiseklachten heeft bij zijn combinatie van Crohn en Coeliaki. De specialist acht de klachten passen bij Coeliaki en volledig reëel, zeker nu er andere immunologische gemedieerde ziekten aanwezig zijn. De specialist geeft als conclusie, dat werknemer volledig afgekeurd moet blijven. Prof. Mulder geeft verder aan, dat vanwege de combinatie van aandoeningen hij de prognose t.a.v. met name de extreme vermoeidheid somber inschat. Het is echter niet uit te sluiten dat er nog wat verbetering kan optreden. In die zin is hij het ermee eens dat cliënt niet tot de groep van patiënten behoort waarbij elke kans op verbetering voor de rest van zijn leven uitgesloten is, en hij zou het reëel vinden wanneer cliënt over een jaar of twee nog eens gezien wordt om na te gaan hoe het met hem gaat.”

De rechtbank constateert dat het UWV zich op het standpunt heeft gesteld dat er ten aanzien van werknemer sprake is van een medische situatie waarbij op lange termijn een meer dan geringe kans op herstel bestaat.

Het UWV standpunt is nagenoeg volledig gelegen in hetgeen professor Mulder letterlijk daarover heeft opgemerkt “Het is echter niet uit te sluiten dat er nog wat verbetering kan optreden”.

Naar het oordeel van de rechtbank leidt genoemde zinsnede van professor Mulder niet zonder meer tot de conclusie dat eiser niet behoort tot de groep van personen waarbij sprake is van een medische situatie waarbij op lange termijn slechts een geringe kans op herstel bestaat.

Alleen al hierom acht de rechtbank het bestreden besluit van verweerder onvoldoende gemotiveerd en komt dat besluit voor vernietiging in aanmerking.

Voorts stelt de rechtbank vast dat verschillende behandelend specialisten van eiser concluderen tot een overlapsyndroom tussen meerdere auto-immuunbeelden. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat bij de beoordeling van de duurzaamheid in een complexe situatie als een overlap van ziektebeelden, veelal pas (gedeeltelijk) herstel na jaren optreedt. In een dergelijke situatie kan, aldus een SER-advies, de kans op herstel aanvankelijk als zeer gering worden ingeschat.

In de interne richtlijn die het UWV hanteert is bij stap 3 ten aanzien van een complex ziektebeeld als hier aan de orde, aangegeven dat een te verwachten verandering in de belastbaarheid goed gemotiveerd moet worden.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft het UWV niet gemotiveerd, waarom in de situatie van eiser, ondanks zijn complexe ziektebeeld, geen sprake is van een geringe kans op herstel. De enkele verwijzing naar de opmerking van de specialist dat herstel niet is uitgesloten is in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen onvoldoende. In dat verband acht de rechtbank overigens opmerkelijk, dat het UWV bij zijn beoordeling wel de overlap van verschillende ziektebeelden noemt, maar niettemin uit lijkt te gaan van twee geïsoleerd te beoordelen diagnoses.

Uitspraak: De rechtbank komt dan ook tot de slotsom dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek ook op dit punt niet zorgvuldig is geweest en dat het bestreden besluit ook hierom onvoldoende gemotiveerd is. Ook om deze reden komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking.

Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. Het UWV dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

Het belang: WGA of IVA is o.a. van belang voor werknemer i.v.m. de uitkeringshoogte WGA die 70% en de IVA die 75% bedraagt van het (gemaximeerde) loon.

Het belang voor werkgever ontstaat omdat de WGA schadelast gedurende 10 jaar voor rekening van werkgever komt (gedifferentieerde premie). Bij de door het huidige kabinet beoogde keuze voor verder gaande privatisering van de WGA komt deze schade terecht bij de werkgever (als eigen risico drager) of zijn verzekeraar. Dit speelt niet bij een IVA uitkering. De IVA blijft publiek, eigen risicodragen wordt hier niet overwogen en de schadelast wordt omgeslagen over alle werkgevers.

Hier ligt dus een groot financieel belang dat afhankelijk van de hoogte van de uitkering kan oplopen tot vele tienduizenden euro’s tot meer dan een ton.

 

Maakt u als werkgever (al dan niet samen met uw werknemer) bezwaar tegen een dergelijke beslissing? Gelet op het gemeenschappellijke belang is dat het overwegen zeker waard!

LJN: BA6894 Rechtbank Zwolle Datum uitspraak: 31-05-2007

 

© L&M sociale zekerheid Ad van Lieshout

 

 

 
HomeVoorwaardenDisclaimerPrivacySitemap